Twaalf en een half jaar geleden begon onze reis samen. Hij was klein en rood en riep mij vanuit zijn kooitje. Ik koos hem en nam hem mee. Samen met een iets rustiger en zwart exemplaar.
Ik noemde hem Timo, want dat bekte zo lekker. We woonden met z’n drietjes op een zolder en sliepen samen in één bed. Hij klom in mijn been als ik het voer pakte. Eén keer viel hij uit het zolderraam. Hij was sneller beneden dan ik. Alleen zijn hakken hadden schaafwondjes.
In de weekenden nam ik ze mee, naar mijn vriendje in Amsterdam. Nog altijd pasten ze samen in één mandje. In de trein en tram. Ik trok veel bekijks. Op kerstavond liep hij met zijn staart door de kaars; hij had het niet door. Ik bluste hem, en het huis stonk.
De verkering ging uit en ik kocht een appartement. Vakkundig maakte mijn vader het balkon dicht zodat Timo en zijn broer veilig buiten konden zitten. Om half negen vond hij het meestal welletjes en jengelde hij net zo lang tot ik naar bed ging. Zijn broer werd ziek en stierf. Hij was pas vier.
Een nieuwe man deed zijn intrede. Een blijvertje. Al snel trokken we bij hem in. Een echt huis met een tuin. Timo vond het er heerlijk. Hij was nog jong en ving libellen en motjes die hij trots mee naar binnen nam. Kleine balletjes wist hij altijd in de convectorput te meppen, zodat ik op mijn buik op de grond mocht liggen om ze er uit op te diepen. Maar het liefst lagen we samen op de bank – zijn warme lijf tegen het mijne.
Na de man kwam de baby. En weer een nieuw huis. Timo vond alles best. Hij bleef altijd een kleuter en zat soms halve nachten buiten te miauwen tot hij naar binnen gelaten werd. Ondanks een kattenluik. Hij aanvaardde de baby en zij hem. Ik bleef hem onvoorwaardelijk lief hebben, ook al plaste hij soms in huis.
Afgelopen jaar werd Timo steeds magerder. Bij het jaarlijkse doktersbezoek bleken zijn nieren dienst te weigeren. We gaven hem medicatie en een aangepast dieet. Het leek goed te gaan.
Tot vorige week. Zienderogen viel hij af. Hij rook niet fris en ging minder eten. Hij was uitgedroogd. Hij kreeg drie dagen achter elkaar een infuus. “Sommige katten knappen op en gaan zo nog een half jaar mee.” Maar Timo niet. Daags na de behandeling stopte hij met eten. Lopen werd moeizaam, springen ging niet meer.
Met tranen in mijn ogen belde ik de dierenkliniek. Donderdag eindigde onze reis definitief. Samen met mijn dochters heb ik hem begraven in de tuin waar ook zijn zwarte broer ligt. Onze reis eindigt waar hij begon.
Timo heeft zijn negen levens erop zitten. Hij heeft mij begeleid van een onzekere jonge vrouw naar de volwassen moeder die ik nu ben. Dank je wel lieve Timo. Wat was het fijn.
Posts tonen met het label dieren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dieren. Alle posts tonen
donderdag 17 december 2015
woensdag 16 december 2015
Stroopwafels bij het graf
Ik wilde voor de site van De Leukste Kinderen schrijven over hoe ik worstelde met de ziekte en dood van mijn kat, maar dan vooral als moeder van een kind dat dit bewust zou meemaken. Hoe moest ik het aanpakken? Hoe zou zij het ervaren?
De column is geplaats en de tekening die Minke maakte is er bij afgebeeld. Hier kun je de column lezen.
De column is geplaats en de tekening die Minke maakte is er bij afgebeeld. Hier kun je de column lezen.
Labels:
de leukste kinderen,
dieren,
kind,
sterven,
verdriet
donderdag 16 april 2015
Voor twee sterke vrouwen
Ik maak nooit iets mee, maar woensdag had ik zo'n vreemde dag.
Ik was op de fiets. Eerst de kleuter naar school en toen zou ik op ziekenbezoek. Het was koud. Veel kouder dan zou moeten voor de tijd van het jaar. Bijna fietste ik terug naar huis om de auto te pakken. Maar toen dacht ik aan de zieke en besloot te fietsen. Zij is een doorzetter en had onlangs nog tegen me gezegd dat fietsen echt goed voor me is.
Op de heenweg was ik bezig met wat ik zou doen, tijdens het bezoek. Of ik zou praten of zwijgen. Een hand vasthouden. Of ik zou moeten huilen. Terwijl ik dat overpeinsde, en een van mijn koude handen in mijn jaszak propte, zag ik op het fietspad een dode kikker. Er waren redelijk wat sloten in de buurt. Waarschijnlijk op zoek naar woestere wateren, of een wijfje, was het arme dier door een fietser of brommer geschept. Denkend aan vakanties met kikkerdril en een pad in de afvoer van het zwembad, peddelde ik het dorp uit. Het gigantische ziekenhuis doemde uit de mist voor me op.
Op de terugweg was ik beduusd. Het was minder koud dan een half uur eerder. Of het raakte me gewoon niet meer zo. De mist leek ook minder, maar mijn hoofd was des te mistiger. En toen zag ik er weer één: groot en plat met bloed erbij. Daar bleef het niet bij. Op de verdere terugweg zag ik er minstens vier. En toen ik bijna thuis was, ook nog een vlinder. Hoewel redelijk heel, onmiskenbaar niet meer in leven.
De rest van de dag zat mijn hoofd vol dode kikkers. Kikkers die nooit meer zullen kwaken, springen of kikkerdril maken. Plotseling, in de bloei van hun leven, platgereden. Domme pech.
En nu nog even een gedicht. Het is van M. Vasalis en ik heb het gekozen omdat sterven mijn week beheerst.
Ik was op de fiets. Eerst de kleuter naar school en toen zou ik op ziekenbezoek. Het was koud. Veel kouder dan zou moeten voor de tijd van het jaar. Bijna fietste ik terug naar huis om de auto te pakken. Maar toen dacht ik aan de zieke en besloot te fietsen. Zij is een doorzetter en had onlangs nog tegen me gezegd dat fietsen echt goed voor me is.
Op de heenweg was ik bezig met wat ik zou doen, tijdens het bezoek. Of ik zou praten of zwijgen. Een hand vasthouden. Of ik zou moeten huilen. Terwijl ik dat overpeinsde, en een van mijn koude handen in mijn jaszak propte, zag ik op het fietspad een dode kikker. Er waren redelijk wat sloten in de buurt. Waarschijnlijk op zoek naar woestere wateren, of een wijfje, was het arme dier door een fietser of brommer geschept. Denkend aan vakanties met kikkerdril en een pad in de afvoer van het zwembad, peddelde ik het dorp uit. Het gigantische ziekenhuis doemde uit de mist voor me op.
Op de terugweg was ik beduusd. Het was minder koud dan een half uur eerder. Of het raakte me gewoon niet meer zo. De mist leek ook minder, maar mijn hoofd was des te mistiger. En toen zag ik er weer één: groot en plat met bloed erbij. Daar bleef het niet bij. Op de verdere terugweg zag ik er minstens vier. En toen ik bijna thuis was, ook nog een vlinder. Hoewel redelijk heel, onmiskenbaar niet meer in leven.
De rest van de dag zat mijn hoofd vol dode kikkers. Kikkers die nooit meer zullen kwaken, springen of kikkerdril maken. Plotseling, in de bloei van hun leven, platgereden. Domme pech.
En nu nog even een gedicht. Het is van M. Vasalis en ik heb het gekozen omdat sterven mijn week beheerst.
Sub Finem
En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten-
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen- en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan
zondag 5 april 2015
10-minuten-column
Ik maak nooit iets mee. Maar dinsdag toevallig wel.
Na een waardeloze nacht met een huilerige dreumes die in mijn bed lag, begon de ochtend later dan noodzakelijk was. We liepen uit en uiteindelijk vertrok ik pas na half negen met voorgenoemd kind in de bakfiets richting crèche. Het stormde onbedaarlijk en ik hield het gevaarte met mijn kostbare vracht maar nauwelijks op de weg.
En toen gebeurde het. Daar, in de vijver vlak naast ons huis. Op een stormachtige dinsdag in maart: ik zag de eerste jonge eendjes van het jaar. Ik hield in, zette mijn voeten aan de grond. De wind maakte golven in het water. Ik voelde de lichte regendruppels tegen mijn gezicht. Mijn handen waren koud. Maar ik stond, keek en warmde op. Ik tuurde naar de moedereend met haar kroost. Ik telde er vijf. Wat moest ze trots zijn!
"Kijk, jonge eendjes!" riep ik tegen de wind in naar mijn eigen kroost. Zij zat lekker beschut onder de huif. En keek niet naar de eendjes maar recht vooruit. Met haar gedachten waarschijnlijk nog bij míjn warme bed. Ze miste zo de eerste eendjes van het seizoen. Maar mijn dag kon niet meer stuk.
En nu nog even een gedicht. Het is van Tjitske Jansen, en ik heb het gekozen omdat het weergeeft hoe je kunt genieten van heel kleine dingen.
Na een waardeloze nacht met een huilerige dreumes die in mijn bed lag, begon de ochtend later dan noodzakelijk was. We liepen uit en uiteindelijk vertrok ik pas na half negen met voorgenoemd kind in de bakfiets richting crèche. Het stormde onbedaarlijk en ik hield het gevaarte met mijn kostbare vracht maar nauwelijks op de weg.
En toen gebeurde het. Daar, in de vijver vlak naast ons huis. Op een stormachtige dinsdag in maart: ik zag de eerste jonge eendjes van het jaar. Ik hield in, zette mijn voeten aan de grond. De wind maakte golven in het water. Ik voelde de lichte regendruppels tegen mijn gezicht. Mijn handen waren koud. Maar ik stond, keek en warmde op. Ik tuurde naar de moedereend met haar kroost. Ik telde er vijf. Wat moest ze trots zijn!
"Kijk, jonge eendjes!" riep ik tegen de wind in naar mijn eigen kroost. Zij zat lekker beschut onder de huif. En keek niet naar de eendjes maar recht vooruit. Met haar gedachten waarschijnlijk nog bij míjn warme bed. Ze miste zo de eerste eendjes van het seizoen. Maar mijn dag kon niet meer stuk.
En nu nog even een gedicht. Het is van Tjitske Jansen, en ik heb het gekozen omdat het weergeeft hoe je kunt genieten van heel kleine dingen.
(naar Guus Middag)
Abonneren op:
Posts (Atom)


